Gelet op artikelen 41, 162 en 170 § 4, betreffende de bevoegdheid van het invoeren van belastingen;
Gelet op het Decreet over het Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikelen 2, 40 § 3, 41,14°, 56, § 3, 7°, 252, 285 t.e.m. 288 en 326 t.e.m. 335;
Gelet op het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het Bestuursdecreet van 7 december 2018;
Gelet op het Wetboek van de inkomstenbelastingen van 10 april 1992 en het Invorderingswetboek van 13 april 2019;
Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register en betreffende de raadpleegbaarheid van de besluiten van de politiezones en hulpverleningszones;
Gelet op de Omzendbrief BB 2008/7 van 18 juli 2008 aangaande het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;
Gelet op de Omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit;
Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 25 november 2019 betreffende de belasting op bedrijfsruimten;
Overwegende dat de ontvangsten zijn ingeschreven in het meerjarenplan 2026-2031 en dus noodzakelijk zijn voor het behoud van een gezonde financiële toestand van de gemeente;
Overwegende dat de belasting op bedrijfsruimten, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 25 november 2019, vervalt op 31 december 2025; dat de belasting op bedrijfsruimten moet worden hernieuwd voor de aanslagjaren 2026 t.e.m. 2031;
Overwegende dat het belastbaar voorwerp ten overstaan van bedrijven bestaat uit het hebben van een vestiging die op het grondgebied van de gemeente is gelegen en die door het bedrijf wordt gebruikt of tot gebruik wordt voorbehouden;
Gelet op het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 13 oktober 2025 waarin wordt voorgesteld om de tarieven van de belasting op bedrijfsruimten te behouden;
Gelet op de bespreking, tijdens dewelke de raad de facto het voorgaande agendapunt (agendapunt 56) behandelde, zodat uiteindelijk geen uitdrukkelijke stemming is gebeurd over het voorliggende agendapunt nr. 57;
Art. 1.- Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt ten behoeve van de gemeente een algemene gemeentebelasting geheven op de bedrijven, die op 1 januari van het aanslagjaar op het grondgebied van de gemeente één of meerdere vestigingen gebruiken of tot gebruik voorbehouden.
Art. 2.- Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
- 1° bedrijf: een zelfstandige of een vennootschap;
- 2° zelfstandige: elke natuurlijke persoon die hoofdzakelijk of aanvullend een nijverheids-, ambachts-, landbouw-, tuinbouw- en/of handelsonderneming exploiteert, een economische activiteit op zelfstandige basis verricht en/of een intellectueel, vrij of dienstverlenend beroep of een andere beroeps- of bedrijfsactiviteit zelfstandig uitoefent, inclusief elke zelfstandige helper;
De natuurlijke persoon die uit hoofde van zijn zelfstandige beroeps-of bedrijvenactiviteit uitsluitend optreedt als werkend vennoot of als bestuurder in een vennootschap wordt niet als belastingplichtige beschouwd;
Natuurlijke personen die in de Kruispuntbank van Ondernemingen staan ingeschreven met de hoedanigheid van 'onderneming onderworpen aan btw', 'handelsonderneming', 'niet-handelsonderneming naar privaat recht' en/of 'ambachtsman' worden meegerekend tot de zelfstandigen bedoeld in dit artikel;
- 3° vennootschap: elke rechtspersoon die een nijverheids-, ambachts-, landbouw-, tuinbouw- en/of handelsonderneming exploiteert, een economische activiteit op zelfstandige basis verricht, een intellectueel, vrij of dienstverlenend beroep zelfstandig uitoefent en/of zich met verrichtingen van winstgevende aard of het beheer van roerende en/of onroerende goederen bezighoudt, evenals elk van deze rechtspersonen in vereffening;
Zowel rechtspersonen die vallen onder het toepassingsgebied van de vennootschapsbelasting als rechtspersonen die een winstoogmerk hebben, maar niet onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, worden meegerekend tot de vennootschappen bedoeld in dit artikel;
- 4° vestiging: elk (gedeelte van een) onroerend goed of meerdere onroerende goederen die samen een geheel, een entiteit of een complex vormen, dat/die voor beroeps- of bedrijfsdoeleinden is bestemd of in het kader van beroeps- of bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt en/of elke activiteitskern, elk(e) lokaliteit of centrum van werkzaamheden of elk (geheel van) ruimte(n), onder gelijk welke vorm en van individuele of collectieve aard, die/dat voor beroeps- of bedrijfsdoeleinden is bestemd of in het kader van beroeps- of bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt, evenals een maatschappelijke zetel of een administratieve zetel of lokaliteit, alsook elk (gedeelte van een) onroerend goed of lokaliteit dat/die bijdraagt tot de realisatie/uitvoering van de beroeps- of bedrijfsdoeleinden (met inbegrip van bestuur of beheer, in de ruimste zin);
Vestigingseenheden waarvoor een bedrijf een inschrijving heeft in de Kruispuntbank van Ondernemingen, worden meegerekend tot de vestigingen bedoeld in dit artikel;
- 5° agrarisch bedrijf: een zelfstandige of een vennootschap van wie de beroeps- of bedrijfsdoeleinden uitsluitend bestaan uit landbouw en/of tuinbouw;
- 6° landbouw: een bedrijfsmatige exploitatie gericht op akkerbouw en/of weidebouw en/of bosbouw en/of veeteelt en/of viskwekerij en/of aquacultuur;
- 7° akkerbouw: een bedrijfsmatige exploitatie gericht op het telen van granen, nijverheidsgewassen, voedergewassen, aardappelen, peulvruchten, pootgoed, landbouwzaden en/of aanverwante gewassen;
- 8° weidebouw: een bedrijfsmatige exploitatie gericht op het exploiteren van blijvend grasland als voedselbron voor dieren welke door het bedrijf voor gebruiks- of winstdoeleinden worden gehouden;
- 9° bosbouw: een bedrijfsmatige exploitatie gericht op het aanleggen en exploiteren van bossen, met inbegrip van de bosboomkwekerij;
- 10° veeteelt: een bedrijfsmatige exploitatie gericht op het kweken/fokken, vetmesten en/of houden van dieren voor de vlees-, melk- of eierproductie, voor de vacht of voor het bekomen van jongen;
- 11° tuinbouw: een bedrijfsmatige exploitatie gericht op groenteteelt, fruitteelt, boomkwekerij andere dan bosboomkwekerij, sierteelt, kweek van tuinbouwzaden, plantgoed en/of aanverwante teelten;
- 12° landbouw- en/of tuinbouwoppervlakte: oppervlakte die een bestemming kreeg voor landbouw en/of tuinbouw en als zodanig door een agrarisch bedrijf wordt gebruikt of tot gebruik wordt voorbehouden onder andere als teeltgrond, oppervlakte in serres, …;
- 13° serre: elke duurzame constructie die bestemd is of gebruikt wordt voor tuinbouw of die dienstig is voor een agrarisch bedrijf dat aan tuinbouw doet;
- 14° teeltgrond: grond waarvan de bodem bestemd is of gebruikt wordt als voedingsbodem voor de producten die erop worden geteeld in het kader van landbouw en/of tuinbouw;
- 15° bedrijfsmatige exploitatie (van een agrarisch bedrijf): een exploitatie waarbij met een duurzame organisatie en inzet van arbeid en kapitaal aan het economische productieproces wordt deelgenomen, met de bedoeling de voortgebrachte producten gestadig te gelde te maken en daarmee bedrijfswinst te realiseren;
- 16° gebouwde oppervlakte: oppervlakte van bouwwerken, constructies en/of installaties die door hun aard op duurzame en gebruikelijke wijze ter plaatse blijven staan;
- 17° ongebouwde oppervlakte: oppervlakte die geen gebouwde oppervlakte is.
Art. 3.-
§ 1. De belasting op de bedrijven is ten laste van:
a. De natuurlijke personen die op 1 januari van het aanslagjaar, als hoofd- of in bijberoep een nijverheids-, landbouw-, tuinbouw- en/of handelsbedrijf exploiteren, en/of een vrij beroep of een andere zelfstandige activiteit uitoefenen, inclusief zelfstandige helpers, en die op het grondgebied van de gemeente één of meerdere vestigingen voor een economische bedrijvigheid gebruiken of tot gebruik voorbehouden.
b. Alle rechtspersonen die op 1 januari van het aanslagjaar op het grondgebied van de gemeente één of meerdere vestigingen voor een economische bedrijvigheid gebruiken of tot gebruik voorbehouden.
§ 2. Elkeen die de hoedanigheid heeft van bedrijf op het grondgebied van de gemeente, heeft minstens één belastbare vestiging - zoals bedoeld in artikel 2 - en behoort als zodanig tot de belastingplichtigen.
§ 3. Indien een belastingplichtige zijn gehele activiteit in een vennootschap heeft ingebracht, wordt de belasting uitsluitend geheven ten name van de vennootschap indien bewezen wordt dat de activiteit hoofdzakelijk ter zetel van de vennootschap wordt uitgeoefend.
§ 4. Indien op 1 januari van het aanslagjaar alle activiteiten of bedrijvigheden opgesomd in artikel 3 § 1 met inbegrip van vereffeningsverrichtingen definitief zijn stopgezet, gaat de hoedanigheid van belastingplichtige verloren.
Bij een tijdelijke onderbreking van de werkzaamheden of zolang de vereffening van de vennootschap niet is afgesloten, blijft de hoedanigheid van belastingplichtige verder bestaan.
§ 5. De rechtspersonen vermeld in de artikelen 180, 181 en 182 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn niet aan de belasting onderworpen.
Art. 4.-
§ 1. Elke belastingplichtige is de belasting verschuldigd afzonderlijk per vestiging hoe ook genoemd, die door hem/haar wordt gebruikt of tot gebruik wordt voorbehouden en op het grondgebied van de gemeente is gelegen.
§ 2. De belasting wordt berekend op basis van de totale gebouwde en/of ongebouwde oppervlakte van het goed waarop de vestiging zich bevindt.
§ 3. Indien op hetzelfde goed zowel de woning van een gezin als de vestiging van een zelfstandige of een vennootschap is gelegen, worden de gebouwde en/of ongebouwde gedeelten van het goed waarvan kan worden aangetoond en ondubbelzinnig vaststaat dat ze door hun aard uitsluitend een functie inzake privégebruik vervullen voor het gezin, voor de vaststelling van de belasting niet gerekend tot de belastbare oppervlakte die in aanmerking te nemen is voor de zelfstandige of de vennootschap.
§ 4. Alle oppervlakten van het goed waarop de vestiging zich bevindt, die door de belastingplichtige worden gebruikt of tot gebruik worden voorbehouden, zijn belastbaar.
Oppervlakte die bestemd is voor of in aanmerking kan komen voor gebruik door de belastingplichtige, is een onderdeel van en wordt ook meegerekend tot de gebruikte of tot gebruik voorbehouden oppervlakte. Om belastbaar te zijn, volstaat het dat oppervlakte eventueel (nog) kan worden gebruikt, ook al wordt deze oppervlakte niet effectief gebruikt (bv. braakliggende of woeste gronden, improductieve oppervlakte, oppervlakte zonder economisch rendabel gebruik, …).
Onder ‘gebruik’ moet elke vorm van gebruik worden verstaan, met inbegrip van het gebruik als (toegangs)weg, parking, plantsoen, grasstrook, groenzone, vijver, sportterrein, laad-, los- of stortplaats, opslag- of overslagruimte, bufferzone, weiland, onderbenutte grond, ... (niet-limitatieve opsomming).
§ 5. De gebouwde en ongebouwde gedeelten van het goed die gemeenschappelijk door meerdere belastingplichtigen worden gebruikt of tot gebruik worden voorbehouden, wordt in hoofde van iedere belastingplichtige belast pro rata van de door hem/haar exclusief gebruikte of tot gebruik voorbehouden gebouwde en ongebouwde oppervlakten.
§ 6. Onroerende goederen die van elkaar zijn gescheiden door een weg, een gracht, een waterloop, één of meerdere andere percelen, … en die belastbaar zijn in hoofde van dezelfde belastingplichtige, worden beschouwd als één goed waarop een vestiging van deze belastingplichtige zich bevindt. Desgevallend wordt voor de vaststelling van de belasting de som of het geheel van de belastbare oppervlakten in aanmerking genomen.
§ 7. Voor de vaststelling van de belastbare gebouwde oppervlakte wordt in voorkomend geval de som of het geheel van de gebruikte of tot gebruik voorbehouden oppervlakten van alle bovengrondse en ondergrondse bouwlagen in aanmerking genomen. Ook de oppervlakten van kelders, zolders en daken worden meegerekend tot de belastbare gebouwde oppervlakte indien ze worden gebruikt of tot gebruik worden voorbehouden.
§ 8. Een bedrijf van wie de beroeps- of bedrijfsdoeleinden uitsluitend een ambulant karakter hebben, heeft een belastbare vestiging op het adres van de in de gemeente gelegen verblijfplaats (waar in het kader van de beroeps- of bedrijfsdoeleinden de opslag van goederen of materiaal, de voorbereiding, de planning, de organisatie, de administratieve ondersteuning of het beheer in de ruimste zin gebeurt of kan plaatsvinden) of maatschappelijke zetel.
Art. 5.-
§ 1. Het bedrag van de belasting wordt per vestiging als volgt vastgesteld:
A. Voor alle belastingplichtigen, uitgezonderd de agrarische bedrijven, met een totale belastbare gebouwde en/of ongebouwde oppervlakte:
1° tot en met 1 000 m²: € 50;
2° van meer dan 1 000 m² tot en met 10 000 m²: € 250;
3° van meer dan 10 000 m² tot en met 100 000 m²: € 1 500;
4° vanaf meer dan 100 000 m²: € 2 500;
B. voor landbouwbedrijven:
1° tot en met 100 000 m²: € 70;
2° vanaf meer dan 100 000 m²: € 140;
C. voor tuinbouwbedrijven:
1° tot en met 100 000 m²: € 140;
2° vanaf meer dan 100 000 m²: € 250.
Een gedeelte van één vierkante meter wordt als een eenheid beschouwd.
§ 2. Gemengde bedrijven
Belastingplichtigen die door hun aard en voor de uitvoering van hun bedrijvigheid ook effectief teeltgronden en/of serres voor landbouw en/of tuinbouw gebruiken, worden - naast de gewone taxatie voor de andere belastbare gebouwde en/of ongebouwde oppervlakten - voor bedoeld areaal belast tegen het tarief voor agrarische bedrijven.
§ 3. De belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het gehele jaar op basis van de toestand op 1 januari. De vermindering van de belastbare oppervlakte in de loop van het jaar, evenals de stopzetting of vermindering van de werkzaamheden in de loop van het aanslagjaar geven geen aanleiding tot enige belastingvermindering.
Art. 6.-
§ 1. Elke belastingplichtige moet ten laatste op 30 juni van het aanslagjaar per vestiging een afzonderlijke aangifte indienen bij het gemeentebestuur Rijkevorsel – financiële dienst – Molenstraat 5, 2310 Rijkevorsel, op een aangifteformulier dat het gemeentebestuur ter beschikking stelt.
Als aangiftedatum geldt de postdatum of (bij afgifte) de datum vermeld op het ontvangstbewijs. Valt de uiterste indieningsdatum op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
De aangifte kan via elektronische weg worden ingediend, meer bepaald per e-mail naar financien@rijkevorsel.be. In dat geval geldt de datum van de elektronische verzending als datum van indiening van de aangifte.
De correct ingevulde, gedag- en genaamtekende aangifte(n) moet(en) binnen de hiervoor gestelde uiterste aangiftedatum toekomen bij het gemeentebestuur.
§ 2. Een belastingplichtige is voor een vestiging vrijgesteld van de in § 1 voorgeschreven aangifteplicht, op voorwaarde dat hij/zij voor het vorige aanslagjaar voor deze vestiging werd aangeslagen op basis van een tijdig ingediend aangifteformulier of een voorstel van aangifte dat zo nodig tijdig werd verbeterd of vervolledigd.
Een belastingplichtige kan niettemin worden verplicht voor een dergelijke vestiging – waarvan sprake is in het eerste lid – een aangifteformulier in te dienen, indien hem/haar dat uitdrukkelijk wordt gevraagd door het gemeentebestuur.
§ 3. Voor de vestiging waarvoor overeenkomstig § 2, eerste lid, een vrijstelling van de aangifteplicht geldt, wordt aan de belastingplichtige een voorstel van aangifte ter beschikking gesteld. Het voorstel van aangifte wordt uitgereikt door het gemeentebestuur en vermeldt de gegevens inzake de vestiging.
§ 4. Indien op het voorstel van aangifte onjuistheden of onvolledigheden zijn vermeld of indien de voorgedrukte gegevens niet overeenstemmen met de belastbare toestand op 1 januari van het aanslagjaar, moet de belastingplichtige het voorstel van aangifte binnen de gestelde termijn in § 1 gedag- en ondertekend indienen bij het gemeentebestuur, met een duidelijke en volledige vermelding en opgave op het voorstel van aangifte van de correcte gegevens en/of alle verbeteringen of aanvullingen. Het is de belastingplichtige die moet bewijzen dat hij/zij het (verbeterd of vervolledigd) voorstel van aangifte tijdig indiende.
Indien het voorstel van aangifte evenwel geen onjuistheden of onvolledigheden bevat en alle voorgedrukte gegevens stroken met de belastbare toestand op 1 januari van het aanslagjaar, moet de belastingplichtige het voorstel van aangifte niet indienen bij het gemeentebestuur.
§ 5. Het voorstel van aangifte, dat zo nodig wordt verbeterd of vervolledigd binnen de in § 4 vermelde termijn, heeft dezelfde waarde als een tijdig ingediende aangifte.
Indien de belastingplichtige evenwel de in § 4, eerste lid, voorziene verplichting niet tijdig naleeft en/of onjuiste en/of onvolledige gegevens vermeldt en/of foutieve verbeteringen aanbrengt op het voorstel van aangifte, wordt het voorstel van aangifte gelijkgesteld met een gebrek aan aangifte, een onjuiste aangifte en/of onvolledige aangifte en zijn de bepalingen van artikel 10 van toepassing.
§ 6. Voor elke vestiging waarvoor een belastingplichtige niet overeenkomstig § 2, eerste lid, vrijgesteld is van de aangifteplicht en waarvoor hij/zij vanwege het gemeentebestuur geen aangifteformulier ontvangt, moet de belastingplichtige het aangifteformulier afhalen of aanvragen bij het gemeentebestuur.
Voor elke vestiging waarvoor een belastingplichtige overeenkomstig § 2, eerste lid, vrijgesteld is van de aangifteplicht en waarvoor hij/zij vanwege het gemeentebestuur geen voorstel van aangifte ontvangt, moet de belastingplichtige het voorstel van aangifte afhalen of aanvragen bij het gemeentebestuur.
Art. 7.- Elk bedrijf dat:
1° voor het eerst of opnieuw de hoedanigheid van belastingplichtige aanneemt of die de hoedanigheid van belastingplichtige volledig en definitief stopzet;
2° op het grondgebied van de gemeente één of meerdere nieuwe/bijkomende vestigingen zal gebruiken of tot gebruik voorbehouden en/of die één of meerdere vestigingen sluit;
3° zijn/haar naam, rechtsvorm, briefwisselings- en/of vestigingsadres(sen) op het grondgebied van de gemeente wijzigt of die voor een bepaalde vestiging een wijziging van de belastbare oppervlakte kent;
Moet binnen de maand, uit eigen beweging, hiervan melding doen bij het gemeentebestuur Rijkevorsel - financiële dienst op volgend adres Molenstraat 5, 2310 Rijkevorsel of via het mailadres financien@rijkevorsel.be.
Indien de hoedanigheid van belastingplichtige volledig en definitief wordt stopgezet en/of indien één of meerdere vestigingen worden gesloten en/of indien de belastbare oppervlakte wijzigt, is het vereist dat het bedrijf spontaan de nodige bewijzen hieromtrent bij de kennisgeving voegt.
Art. 8.- Het gemeentebestuur controleert de oprechtheid van de aangiften. De belastingplichtigen zijn verplicht deze controle te vergemakkelijken. De gemeente mag de waarachtigheid van de onderschreven aangiften nagaan met al de middelen waarover zij beschikt. Daartoe aangestelde personeelsleden zijn bevoegd elke inbreuk op het huidig reglement vast te stellen en moeten daarvoor toegang krijgen tot alle plaatsen waar de belastbare feiten plaats hebben.
Art. 9.-
Het gemeentebestuur is ten allen tijde gerechtigd waar ook op het gemeentelijk grondgebied controle uit te oefenen met het oog op de correcte toepassing van deze reglementering.
Een administratieve geldboete van € 500,00 wordt opgelegd in geval van:
• Overtreding van artikel 7 van dit reglement;
• De weigering mee te werken aan een fiscale controle;
• De weigering om boeken of bescheiden voor te leggen.
Het bedrag van de administratieve geldboete wordt gelijktijdig en samen met de belasting ingekohierd en ingevorderd.
De administratieve geldboete moet worden betaald binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.
Art. 10.- Als er geen, geen juiste of geen volledige aangifte is gedaan voor de aangiftedatum, vermeld in artikel 6, kan de belastingplichtige ambtshalve worden belast conform de procedure voorzien in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en haar latere wijzigingen. In geval van een ambtshalve aanslag wordt de belasting gevestigd op grond van de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt.
De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met:
• 10 % van het bedrag van de verschuldigde belasting bij een eerste overtreding;
• 40 % van het bedrag van de verschuldigde belasting bij een tweede overtreding;
• 70 % van het bedrag van de verschuldigde belasting bij een derde overtreding;
• 100 % van het bedrag van de verschuldigde belasting bij een vierde overtreding;
• 200 % van het bedrag van de verschuldigde belasting bij een vijfde en volgende overtreding, met dien verstande dat een correcte en tijdige aangifte gedurende twee opeenvolgende jaren de goede trouw in hoofde van de belastingplichtige volledig herstelt, waardoor de aanslag bij de eerstvolgende overtreding met slechts 10 % wordt verhoogd.
De belastingverhoging bedraagt minimum € 25.
De belastingverhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Art. 11.- De belasting wordt gevestigd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar wordt verklaard door het College van Burgemeester en Schepenen.
Art. 12.- De belasting moet worden betaald binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Art. 13.- De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen zijn aanslag, een belastingverhoging of een administratieve geldboete (in voorkomend geval), een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen 3 maanden te rekenen vanaf de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet heeft ontvangen of vanaf de kennisgeving van de aanslag.
Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet verzonden werd via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van zijn verzending. Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om berichten elektronisch uit te wisselen, wordt het aanslagbiljet geacht ontvangen te zijn op het tijdstip waarop het aanslagbiljet toegankelijk wordt voor de belastingplichtige.
Bezwaarschriften kunnen per post (Molenstraat 5, 2310 Rijkevorsel) of via elektronische weg per e-mail (financien@rijkevorsel.be) worden ingediend binnen de termijn en onder de voorwaarden zoals hierboven vermeld.
De indiening van het bezwaarschrift via elektronische weg geldt als uitdrukkelijke instemming van de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger om berichten binnen de bezwaarprocedure via die elektronische weg uit te wisselen. Als het bezwaarschrift verzonden wordt via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van indiening van het bezwaar.
Het college van burgemeester en schepenen of het personeelslid dat zij speciaal daarvoor aanwijst, bericht schriftelijk ontvangst binnen vijftien dagen na de indiening van het bezwaarschrift.
Indien de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger dat in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger uitgenodigd worden op een hoorzitting.
Art. 14.- Dit besluit zal worden bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen 286, 287 en 288 Decreet Lokaal Bestuur.
De toezichthoudende overheid zal op de hoogte gebracht worden van de bekendmaking van het reglement overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit besluit vervangt het besluit van de gemeenteraad van 25 november 2019 houdende de belasting op bedrijfsruimten voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 en treedt in werking op 1 januari 2026.