Gelet op artikel 170, §4 van de Grondwet;
Gelet op het Wetboek Inkomstenbelastingen van 10 april 1992, inzonderheid artikelen 464 tot en met 470/2;
Gelet op artikel 40, § 3, van het Decreet over het Lokaal Bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen;
Gelet op artikel 2.1.4.0.2 en artikel 3.1.0.0.4 van het Decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit;
Gezien het gemeenteraadsbesluit van 16 december 2019 houdende de vaststelling van de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 2025 tot en met 2031;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden;
Gezien de financiële noodzakelijkheid om het bestaande reglement te hernieuwen voor de volgende aanslagjaren;
Overwegende dat het aangewezen lijkt de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing vast te stellen voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031;
Gelet op het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 13 oktober 2025 waarin wordt voorgesteld om het aantal opcentiemen op de onroerende voorheffing van het Vlaamse Gewest te behouden op 837,53;
Gezien de gemeenteraad bevoegd is voor het vestigen van belastingen;
Gelet op de bespreking;
Art. 1.- Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 worden ten behoeve van de gemeente 837,53 opcentiemen geheven op de onroerende voorheffing van het Vlaamse Gewest.
Art. 2.- De vestiging en de inning van de gemeentebelasting gebeuren door toedoen van de Vlaamse Belastingdienst.
Art. 3.- Dit besluit zal worden bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen 286, 287 en 288 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Art. 4.- De toezichthoudende overheid zal op de hoogte gebracht worden van de bekendmaking van het reglement overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.