Terug
Gepubliceerd op 24/12/2025

Besluit  Gemeenteraad

ma 15/12/2025 - 18:00

Belastingreglement inzake motoren (drijfkracht) AJ 2026-2031. Vaststelling.

Aanwezig: Jan Boeckx, Voorzitter
Dorien Cuylaerts, Burgemeester
Nathalie Cuylaerts, Peter Janssens, Bob Van den Eijnden, Lieven Van Nyen, Bert Vangenechten, Schepenen
Stefan Maes, Karl Geens, Luc Jansen, Liese Vermeiren, Wim De Visscher, Bart Van De Mierop, Danny Eelen, Johan Sysmans, Hans Van Loon, Diede Van Dun, Rudi Vervoort, Jeroen Ooms, Eric Vermeiren, Leslie Haems, Chris Peeters, Eddy Stoffelen, Raadsleden
Bart Adams, Algemeen directeur

Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 § 4, betreffende de bevoegdheid van het invoeren van belastingen;

Gelet op het Decreet over het Lokaal Bestuur van 22 december 2017,  artikelen 2, 40 § 3, 41,14°, 56, § 3, 7°, 252, 285 t.e.m. 288 en 326 t.e.m. 335;

Gelet op het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;

Gelet op het Bestuursdecreet van 7 december 2018;

Gelet op het Wetboek van de inkomstenbelastingen van 10 april 1992 en het Invorderingswetboek van 13 april 2019;

Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register en betreffende de raadpleegbaarheid van de besluiten van de politiezones en hulpverleningszones;

Gelet op de Omzendbrief BB 2008/7 van 18 juli 2008 aangaande het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;

Gelet op de Omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit;

Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 25 november 2019 houdende de belasting op drijfkracht voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025;

Gelet op de ontvangsten die zijn ingeschreven in het meerjarenplan 2026-2031 en dus noodzakelijk zijn voor het behoud van een gezonde financiële toestand van de gemeente;

Gelet op het belastingreglement op drijfkracht, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 25 november 2019 voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025, dat vervalt op 31 december 2025; dat de gemeente wenst de belasting op drijfkracht te hernieuwen en integraal te vervangen door dit belastingreglement op motoren voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031;

Overwegende dat de gemeenteraad het nuttig geoordeeld heeft de door dit reglement beoogde motoren te belasten om zich aanvullende inkomsten te verschaffen ter financiering van de uitgaven van algemeen nut waaraan de gemeente het hoofd moet bieden;

Overwegende dat de belasting op drijfkracht een belasting is die verband houdt met de bedrijfsuitoefening en dus een duurzame toestand treft;

Overwegende dat de gemeente wenst een goede verdeling van de belastingdruk in functie van de draagkracht van de ondernemingen tot stand te brengen;

Overwegende dat het gebruik van motoren bij de uitoefening van de bedrijfsactiviteit een goede indicator is voor het belang van die activiteit, net zoals het gezamenlijk vermogen van motoren geldt als een goede indicator voor de draagkracht van een bedrijf;

Overwegende dat de belasting niet gevestigd wordt op de eerste 5 kW, aangezien het wenselijk is om kleinere ondernemingen vrij te stellen van de financiële en administratieve last; dat ook de motoren van een draagbaar toestel niet worden belast, gelet op het eerder beperkte vermogen van deze toestellen; dat bijkomend het een zeer sterke administratieve vereenvoudiging is voor het gemeentebestuur;

Overwegende dat windturbines een belangrijke bron zijn van groene stroom; dat om de productie van groene stroom te stimuleren, bijgevolg de motoren van windturbines worden vrijgesteld net zoals de door perslucht aangedreven motor, … enz.

Overwegende dat het billijk is dat enkel rekening wordt gehouden met de motoren die betrokken kunnen worden in de bedrijfsvoering, zodat ter ondersteuning van de bedrijven ook een belastingvermindering wordt verleend voor motoren die definitief vervreemd worden, voor motoren die niet dadelijk het normale rendement opleveren, voor motoren die buiten de gemeentegrenzen geplaatst worden, …

Gelet op de financiële toestand van de gemeente;

Gelet op de gevoerde bespreking;

Overwegende dat raadslid Rudi Vervoort namens de Groen Rijkevorsel-fractie een amendement indient dat ertoe strekt om een extra artikel aan het besluit toe te voegen als volgt:

‘Motoren die hun energie halen uit een natuurlijke bron (hetzij zon- of windenergie) worden vrijgesteld van deze belasting.’;

Gelet op de stemming over het amendement, ingediende door raadslid Rudi Vervoort, hetwelk met 19 neen-stemmen, 2 onthoudingen en 2 ja-stemmen wordt verworpen (neen-stemmen: Jan Boeckx, Dorien Cuylaerts, Nathalie Cuylaerts, Peter Janssens, Bob Van den Eijnden, Lieven Van Nyen, Bert Vangenechten, Stefan Maes, Karl Geens, Luc Jansen, Liese Vermeiren, Wim De Visscher, Bart Van De Mierop, Danny Eelen, Johan Sysmans, Hans Van Loon, Leslie Haems, Chris Peeters, Eddy Stoffelen; onthoudingen: Jeroen Ooms, Eric Vermeiren; ja-stemmen: Diede Van Dun, Rudi Vervoort);

Overwegende dat raadslid Jeroen Ooms namens de Gemeentebelangen+-fractie een amendement indient dat ertoe strekt om:

-      Artikel 12 te wijzigen als volgt:

‘De bepaling die voorziet in een administratieve geldboete van € 500 wordt geschrapt.

In geval van weigering tot medewerking aan een fiscale controle of weigering om boeken of bescheiden voor te leggen, worden uitsluitend de bestaande fiscale sancties toegepast zoals voorzien in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.’

-      Artikel 13 volledig te schrappen

-      Artikel 5, §1, 1° te wijzigen als volgt: ‘de eerste 30 kW van het totaal per belastingplichtige

-      Artikel 10 uit te breiden met een bijkomende §5 als volgt:

‘§5. Belastingplichtigen waarvan het totaal belastbaar motorvermogen lager is dan 30 kW, met uitsluiting van motoren en hefmachines die uitsluitend als demonstratie zijn opgesteld, zijn vrijgesteld van aangifteplicht.’;

Gelet op de stemming over het amendement, hetwelk met 16 neen-stemmen en 7 ja-stemmen wordt verworpen (neen-stemmen: Jan Boeckx, Dorien Cuylaerts, Nathalie Cuylaerts, Peter Janssens, Bob Van den Eijnden, Lieven Van Nyen, Bert Vangenechten, Stefan Maes, Karl Geens, Luc Jansen, Liese Vermeiren, Wim De Visscher, Bart Van De Mierop, Danny Eelen, Johan Sysmans, Hans Van Loon; ja-stemmen: Leslie Haems, Chris Peeters, Eddy Stoffelen, Jeroen Ooms, Eric Vermeiren; Diede Van Dun, Rudi Vervoort);

Gelet op de stemming over de hoofdvraag, dewelke met 19 ja-stemmen en 4 neen-stemmen wordt aangenomen (ja-stemmen: Jan Boeckx, Dorien Cuylaerts, Nathalie Cuylaerts, Peter Janssens, Bob Van den Eijnden, Lieven Van Nyen, Bert Vangenechten, Stefan Maes, Karl Geens, Luc Jansen, Liese Vermeiren, Wim De Visscher, Bart Van De Mierop, Danny Eelen, Johan Sysmans, Hans Van Loon, Leslie Haems, Chris Peeters, Eddy Stoffelen; neen-stemmen: Diede Van Dun, Rudi Vervoort, Jeroen Ooms, Eric Vermeiren);

Publieke stemming
Aanwezig: Jan Boeckx, Dorien Cuylaerts, Nathalie Cuylaerts, Peter Janssens, Bob Van den Eijnden, Lieven Van Nyen, Bert Vangenechten, Stefan Maes, Karl Geens, Luc Jansen, Liese Vermeiren, Wim De Visscher, Bart Van De Mierop, Danny Eelen, Johan Sysmans, Hans Van Loon, Diede Van Dun, Rudi Vervoort, Jeroen Ooms, Eric Vermeiren, Leslie Haems, Chris Peeters, Eddy Stoffelen, Bart Adams
Voorstanders: Jan Boeckx, Dorien Cuylaerts, Nathalie Cuylaerts, Peter Janssens, Bob Van den Eijnden, Lieven Van Nyen, Bert Vangenechten, Stefan Maes, Karl Geens, Luc Jansen, Liese Vermeiren, Wim De Visscher, Bart Van De Mierop, Danny Eelen, Johan Sysmans, Hans Van Loon, Leslie Haems, Chris Peeters, Eddy Stoffelen
Tegenstanders: Diede Van Dun, Rudi Vervoort, Jeroen Ooms, Eric Vermeiren
Resultaat: Met 19 stemmen voor, 4 stemmen tegen

Art. 1.- Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op de motoren.

Art. 2.- De belasting wordt geheven op motoren gebruikt voor nijverheids-, handels-, land- en tuinbouwdoeleinden, evenals op deze gebruikt door de beoefenaars van vrije en zelfstandige beroepen, ongeacht de krachtbron die deze motoren in beweging brengt.

De belasting slaat bijgevolg o.m. op de elektromotoren, de stoommachines, de verbrandingsmotoren, de waterturbines, … en zonder dat deze opsomming limitatief is.

De belasting is verschuldigd voor de motoren die de belastingplichtige voor de exploitatie van zijn inrichting of van haar bijgebouwen gebruikt.

Als ‘bijgebouw van een inrichting’ wordt beschouwd, iedere instelling of onderneming, iedere werf van om het even welke aard, die gedurende een ononderbroken tijdvak van minstens drie maanden op het grondgebied van de gemeente gevestigd is.

Voor de motoren, gebruikt voor een zoals in het vorige lid bedoeld en op het grondgebied van een andere gemeente overgebracht bijgebouw, is geen gemeentebelasting verschuldigd voor het tijdvak van het gebruik in de andere gemeente.

Wanneer, hetzij een inrichting, hetzij een zoals hierboven bedoeld bijgebouw, geregeld en duurzaam een verplaatsbare motor gebruikt voor de verbinding met één of meer bijgebouwen, of met een verkeersweg, is daarvoor de belasting enkel verschuldigd, indien hetzij de inrichting zelf, hetzij het voornaamste bijgebouw in de gemeente gevestigd is.

Art. 3.- De belasting is verschuldigd door degene die de motoren overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 gebruikt.

Art. 4.-

§1. De belasting bedraagt € 14,80 per kilowatt per jaar.

Het netto belastbaar vermogen van alle fracties wordt berekend. Nadien wordt als volgt afgerond: voor fracties van meer dan 500 W wordt één kW aangerekend. Met fracties van 500 W of minder wordt geen rekening gehouden.

De kracht van de hydraulische toestellen wordt berekend door omzetting van de kracht in paardenkracht naar kilowatt.

Voor motoren met een vermogen uitgedrukt in PK of H.P. geldt: 1 PK = 0,736 kW en 1 H.P. = 0,746 kW.

§2. De belasting wordt gevestigd op de na te noemen grondslagen:

  1. Omvat de inrichting van belanghebbende slechts één motor, dan wordt de belasting gevestigd volgens de kracht opgegeven in het besluit waarbij de vergunning tot het plaatsen van de motor verleend of de akte van die plaatsing gegeven wordt.
  2. Omvat de inrichting van belanghebbende verschillende motoren, dan wordt de belastbare kracht vastgesteld door de krachten opgegeven in het besluit, waarbij vergunning tot het plaatsen van de motoren verleend of akte van die plaatsing gegeven wordt, op te tellen en deze som te voorzien van een simultaanfactor, veranderlijk volgens het aantal motoren.

Deze factor, gelijk aan de eenheid van één motor, wordt tot en met 30 motoren, met 1/100 van de eenheid per bijkomende motor verminderd en blijft daarna onveranderd en gelijk aan 0,70 voor 31 motoren en meer. De kracht der hydraulische toestellen wordt vastgesteld in overleg met belanghebbende en het college van burgemeester en schepenen. Het staat belanghebbende vrij om, in geval van onenigheid, een tegenexpertise uit te lokken.

  1. Het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel wordt door de gemeente toegepast naargelang het aantal motoren waarop zij krachtens artikel 1 belasting heft.

 §3. De verplaatsbare werktuigmachines met een ontploffings-, verbrandings- of gasmotor worden belast volgens volgende tabel:

Cilinderinhoud van de motoren

Omzetting naar kW

van 1 cm³ tot 2.499 cm³:

10 kW

van 2.500 cm³ tot 4.999 cm³:

20 kW

van 5.000 cm³ tot 7.499 cm³:

30 kW

van 7.500 cm³ tot 9.999 cm³:

40 kW

meer dan 10.000 cm³:

50 kW

§4. Vorkheftrucks, reachtrucks, stackers en straddle carriers worden belast volgens hun maximaal hefvermogen, zoals vermeld in volgende tabel:

Maximaal hefvermogen

Omzetting naar kW

Van 0 kg tot 999 kg

5 kW

Van 1.000 kg tot 1.999 kg

8 kW

Van 2.000 kg tot 5.999 kg

15 kW

Van 6.000 kg tot 19.999 kg

20 kW

Van 20.000 kg tot 29.999 kg

25 kW

Van 30.000 kg tot 44.999 kg

30 kW

Van 45.000 kg tot onbeperkt

40 kW

Art. 5.-

§1. De belasting wordt niet geheven op:

1° de eerste 5 kW van het totaal per belastingplichtige.

2° motoren die gedurende het ganse onmiddellijk voorafgaande jaar niet werden gebruikt. Deze non-activiteit moet blijken uit desbetreffende, om de drie maanden te hernieuwen, schriftelijke berichten aan het gemeentebestuur, zoals voorzien in artikel 7, 3°. Voor het eerste jaar van de belastingheffing kan het bewijs van de non-activiteit echter met alle mogelijke rechtsmiddelen worden geleverd;

3° motoren die gedurende het ganse onmiddellijk voorafgaande jaar buiten de gemeente werden geplaatst. Dit moet blijken uit desbetreffende, om de drie maanden te hernieuwen, schriftelijke ‘berichten van verplaatsing’ aan het gemeentebestuur, zoals voorzien in artikel 7, 5°;

4° de motor gebruikt voor het aandrijven van een voertuig dat onder de verkeersbelasting valt of speciaal van deze belasting is vrijgesteld;

5° de motor die een elektrische generator aandrijft, voor het gedeelte van zijn vermogen dat overeenstemt met dat benodigd voor het aandrijven van de generator;

6° de door perslucht aangedreven motor;

7° de motoren gebruikt voor polderbemaling, grondbemaling voor werken, leegpompen van werkplaatsen, verlichting, hygiënische ventilatie en de motoren die instaan voor de brandbestrijding. Onder hygiënische ventilatie moet worden verstaan de verluchting door toestellen die, voor het goede verloop van bepaalde activiteiten (vb. go-kart circuits in afgesloten ruimtes,…) of productieprocessen (vb. verfspuitcabines,…) onontbeerlijk zijn voor de hygiëne of gezondheid. Een airconditioning, die louter tot doel heeft de werkomgeving aangenamer te maken, komt niet in aanmerking voor deze vrijstelling en is dus belastbaar;

8° De motoren van draagbare toestellen. Een draagbaar toestel is een toestel dat door één persoon kan worden bediend en gedragen, vb. boor-, zaag-, en handschuurmachines, slijpschijven, haardrogers,…;

9° de motoren van windturbines;

10° de wisselmotoren. Een wisselmotor is een motor die uitsluitend bestemd is voor hetzelfde werk als een andere motor die hij tijdelijk moet vervangen. De wisselmotor kan aangewend worden om tezelfdertijd te werken als die, welke normaal gebruikt wordt gedurende de tijd nodig om de voortzetting der productie te verzekeren;

11° de reservemotor, d.i. deze waarvan de werking niet onmisbaar is voor de normale gang van de inrichting en die slechts werkt in uitzonderingsgevallen, voor zover zijn tewerkstelling niet tot gevolg heeft dat de productie van de betrokken inrichting(en) verhoogd wordt;

12° de motoren aangewend in de drukstations van de aardgasleidingen voor het aandrijven van de compressoren.

De onder 10° en 11° vermelde motoren kunnen aangewend worden gedurende de nodige tijd om de voortzetting der productie te verzekeren.

De motoren die gans het kalenderjaar voorafgaand aan het belastingjaar niet hebben gefunctioneerd, alsmede de motoren die volgens de bepalingen onder 3° tot en met 12° zijn vrijgesteld, komen niet in aanmerking om de simultaanfactor te bepalen.

§2. Om het nazicht van de aangifte en de opsporing van de ontduikingen mogelijk te maken, moet de kracht van onbelastbare motoren eveneens vermeld worden op de aangifte, bedoeld in artikel 10 met uitzondering van de kracht van motoren van draagbare toestellen.

De gemeente mag de waarachtigheid van de onderschreven aangiften nagaan met al de middelen waarover zij beschikt.

Art. 6.- Wanneer de installaties van een nijverheidsbedrijf voorzien zijn van meetapparaten voor het maximum kwartuurvermogen waarvan de opnemingen maandelijks door de leverancier van elektrische energie worden gedaan met het oog op het factureren ervan en bovendien dat bedrijf belast werd op grond van het bepaalde in de artikelen 4 en 5 gedurende een periode van tenminste twee jaar, wordt het bedrag der belastingen betreffende de volgende dienstjaren, op verzoek van de exploitant, vastgesteld op basis van een belastbaar vermogen bepaald in functie van de variatie, van het ene tot het andere jaar, van het rekenkundig gemiddelde der twaalf maandelijkse maximum kwartuurvermogens. Daartoe berekent het bestuur de verhouding tussen het vermogen dat voor het jongste belastingjaar op grond van het bepaalde in de artikelen 4 en 5 aangeslagen werd en het rekenkundig gemiddelde der twaalf maandelijkse maximum kwartuurvermogens opgenomen tijdens hetzelfde jaar; deze verhouding wordt "VERHOUDINGSFACTOR" genoemd. Vervolgens wordt het belastbaar vermogen elk jaar berekend door vermenigvuldiging van het rekenkundig gemiddelde der twaalf maximum kwartuurvermogens van het jaar met de verhoudingsfactor.

De waarde van de verhoudingsfactor wordt niet gewijzigd zolang het rekenkundig gemiddelde van de maximum kwartuurvermogens van een jaar niet meer dan 20% verschilt van die van het refertejaar d.w.z. van het jaar dat in aanmerking werd genomen voor de berekening van de verhoudingsfactor. Bedraagt het verschil meer dan 20% dan telt het bestuur de belastbare elementen teneinde een nieuwe verhoudingsfactor te berekenen.

Om het voordeel van de bepalingen van dit artikel te genieten moet de exploitant, vóór 31 januari van het belastingsjaar een schriftelijke aanvraag bij het gemeentebestuur indienen met opgave van de maandelijkse waarden van het maximum kwartuurvermogen, welke in zijn installaties werden opgenomen tijdens het jaar voorafgaande aan dat met ingang waarvan hij om de toepassing van deze bepalingen verzoekt. Hij moet er zich bovendien toe verbinden bij zijn jaarlijkse aangifte de opgave der maandelijkse waarden van het maximum kwartuurvermogen van het belastingsjaar te voegen en het bestuur toe te laten te allen tijde de in zijn installaties gedane metingen van het maximum kwartuurvermogen, vermeld op de facturen voor levering van elektrische energie, te controleren.

De exploitant die deze wijze van aangifte, controle en aanslag kiest, verbindt zich door zijn keuze voor een tijdvak van vijf jaar. Behoudens verzet van de exploitant of van het bestuur bij het verstrijken van het optietijdvak, wordt dit stilzwijgend verlengd voor een nieuw tijdvak van vijf jaar.

Art. 7.- Volgende verminderingen worden toegekend:

1° Levert een onlangs geplaatste motor niet dadelijk het normale rendement op, omdat de installatie die hij moet aandrijven onvolledig is, dan wordt de niet benutte kracht als niet te belasten reservekracht aangezien, indien zij, uitgedrukt in kW 20 % overtreft van het maximaal vermogen. Deze vermindering geldt slechts voor 6 maanden. Om het semester moet de aanvraag hernieuwd worden zolang de uitzonderingstoestand duurt.

Onder de “onlangs geplaatste motoren” wordt verstaan: de motoren die niet langer dan één jaar geleden in werking werden gesteld. In speciale gevallen kan deze termijn verlengd worden door het college van burgemeester en schepenen.

2° Behoudens wanneer voor de regeling van artikel 6 werd gekozen, geeft het verdwijnen of het definitief buiten gebruik stellen van een belastbare motor in de loop van het jaar dat aan het aanslagjaar voorafgaat aanleiding tot een belastingvermindering.

Deze vermindering gaat in vanaf de maand die volgt op de datum waarop het bericht betreffende het verdwijnen of het definitief buiten gebruik stellen aan het gemeentebestuur wordt toegezonden.

3° Het tijdelijk stilleggen van een motor voor een ononderbroken periode gelijk aan of groter dan een maand, met uitzondering van de jaarlijkse verplichte vakantieperiode, geeft aanleiding tot een belastingvermindering, in verhouding tot het aantal maanden dat de motor gedurende het jaar dat aan het aanslagjaar voorafgaat, ononderbroken buiten werking is geweest.

Met een inactiviteit voor een duur van één maand wordt gelijkgesteld de activiteit die beperkt is tot één dag werk op vier weken of één week werk na vier weken inactiviteit in de bedrijven die met de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een akkoord hebben aangegaan inzake de activiteitsvermindering om ontslag van personeel te voorkomen.

Met een inactiviteit voor een duur van één maand wordt eveneens gelijkgesteld de inactiviteit gedurende een periode van vier weken, gevolgd door één activiteitsperiode van één week, als het gebrek aan werk te wijten is aan economische oorzaken. In geval van belastingvermindering wegens gedeeltelijk stilliggen, wordt de kracht van de motor voorzien van de simultaanfactor die op de inrichting van belanghebbende toegepast is.

Behoudens wanneer voor de regeling van artikel 6 werd gekozen, moet de belanghebbende die van deze evenredige vermindering wenst te genieten, aan het gemeentebestuur schriftelijk bericht geven van de dag waarop de motor stilligt en van de dag waarop hij terug in werking wordt gesteld. Stilleggingen moeten uiterlijk op de dag van de stillegging schriftelijk worden gemeld aan het gemeentebestuur (via e-mail aan financien@rijkevorsel.be). Dezelfde werkwijze geldt voor het terug in werking stellen van de motoren. Een ontvangstbewijs wordt aan de belanghebbende afgeleverd. Dit bericht moet om de drie maanden worden hernieuwd. De vermindering van belasting gaat in vanaf de maand volgend op de datum van ontvangst van het bericht van stillegging tot de maand die volgt op de maand van wederinwerkingstelling. Het schriftelijk bericht is van substantiële aard en op straffe van verval voorgeschreven. De belastingplichtige moet de bewijsstukken van de werkelijke inactiviteit kunnen voorleggen. Voor het eerste jaar van de belastingheffing kan het bewijs van tijdelijke non-activiteit of van de definitieve buitengebruikstelling echter met alle mogelijke rechtsmiddelen worden geleverd.

Bij afwijking van de procedure zoals voorzien in de laatste twee alinea’s, zal de vrijstelling ten voordele van de bouwondernemingen die verplaatsbare motoren gebruiken, volgens de hierna bepaalde regelen kunnen bekomen worden. Deze ondernemingen zullen, voor iedere aan de belasting onderworpen machine, een boekje moeten bijhouden waarin de dagen vermeld worden, gedurende dewelke de machine in gebruik is en de werf waar zij is opgesteld.

Aan het einde van het jaar zal de ondernemer zijn aangifte invullen aan de hand van de in elk boekje voorkomende gegevens, met dien verstande dat er over de gegrondheid van de ingeschreven gegevens in de boekjes steeds fiscaal toezicht kan worden uitgeoefend.

Deze procedure is echter voorbehouden voor de bouwondernemingen die een geregelde boekhouding voeren en die een schriftelijke aanvraag tot het college van burgemeester en schepenen richten, teneinde hiervoor de toelating te bekomen.

4° Definitieve ontvreemding (verkoop) van een belastbare motor, in de loop van het onmiddellijk voorafgaande aanslagjaar, brengt een belastingvermindering mee. Deze vermindering gaat in vanaf de maand volgend op het ‘bericht van verkoop’, verzonden aan het gemeentebestuur. Dit bericht moet vergezeld zijn van een kopie van de verkoopfactuur.

5° Het verblijf van motoren buiten de gemeente, voor een ononderbroken tijdvak gelijk aan of groter dan drie maand, geeft aanleiding tot belastingvermindering in verhouding tot het aantal maanden dat het toestel buiten de gemeentegrenzen actief is geweest.

Om van deze evenredige belastingvermindering te kunnen genieten moet de belanghebbende, op de dag dat een motor verplaatst wordt buiten de gemeentegrenzen, het gemeentebestuur hiervan schriftelijk in kennis stellen met een ‘bericht van verplaatsing’.

Wanneer de desbetreffende motor zich terug in de gemeente bevindt, moet het gemeentebestuur hiervan op dezelfde manier in kennis te worden gesteld.

De vermindering van de belasting geldt van de maand volgend op de datum van ontvangst van het ‘bericht van verplaatsing’ tot de maand volgend op het ‘bericht van plaatsing’ (tegenbericht) binnen de gemeente.

De berichtgeving is van substantiële aard en op straffe van verval voorgeschreven. Indien vastgesteld wordt dat een motor zich binnen de gemeente bevindt, zonder een ‘bericht van plaatsing’ (tegenbericht) ontvangen te hebben, zal geen vermindering worden toegestaan, hoelang de plaatsing buiten de gemeente ook heeft geduurd.

6° voor nieuwe motoren is de belasting verschuldigd vanaf de maand volgend op de installatie. Deze installatie moet aan het college van burgemeester en schepenen schriftelijk worden meegedeeld onder de vorm van een ‘bericht van installatie’. Dit bericht moet de volgende gegevens vermelden: merk, nummer, aard en vermogen van de desbetreffende motor.

Indien bij controle wordt vastgesteld dat een nieuwe motor werd geplaatst, zonder hiervan een ‘bericht van installatie’ te hebben ontvangen, zal deze motor voor een gans jaar worden belast.

7° Wanneer de fabricagemachines door oorzaak van een ongeval, niet meer in staat zijn om meer dan 80% van de door een belastingplichtige motor afgeleverde kracht te verbruiken, wordt de nijveraar slechts belast op de verbruikte kracht van de motor, uitgedrukt in kW, op voorwaarde dat de gedeeltelijke activiteit minstens drie maanden duurt en dat de beschikbare kracht niet voor andere doeleinden gebruikt wordt.

Belanghebbende kan geen belastingvermindering bekomen, dan hetzij via per post aangetekende, hetzij tegen ontvangstbewijs afgegeven berichten waarbij hij/zij aan het gemeentebestuur enerzijds de datum van het ongeval, en anderzijds de datum van het weder ingang stellen aangeeft. Voor de berekening der belastingvermindering gaat de motorafstelling in na de ontvangst van het eerste bericht.

Belanghebbende moet bovendien, op verzoek van het gemeentebestuur, alle stukken voorleggen waardoor de waarachtigheid van zijn verklaringen kan nagegaan worden. Het buiten gebruik stellen van een motor wegens ongeval, moet binnen de acht dagen aan het gemeentebestuur verwittigd worden op de bovenvermelde wijze, dit op straffe van ontzetting uit het recht op belastingvermindering.

Art. 8.- De belasting wordt vastgesteld op 1 januari van het aanslagjaar en wordt gevestigd op grond van de belastbare motorenkracht tijdens het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar, zijnde het referentiejaar. De belasting wordt berekend per maand en elk gedeelte ervan wordt voor een volledige maand gerekend.

Indien een motor tijdens dezelfde maand in verschillende gemeenten belastbaar is, is de belasting verschuldigd aan de gemeente met het grootst aantal dagen gebruik. Is dit aantal gelijk, dan wordt de belasting evenredig per halve maand verdeeld.

Een motor die voor de eerste maal in werking wordt gesteld, is belastbaar vanaf de volgende maand. Dit geldt niet wanneer werd geopteerd voor de in artikel 6 voorziene regeling.

Art. 9.- Wanneer de bedrijfsactiviteiten op het grondgebied van de gemeente in de loop van het aanslagjaar om welke reden ook worden gestaakt, wordt, in afwijking van artikel 8, een bijzondere, eventueel bijkomende aanslag gevestigd.

Deze aanslag wordt berekend op basis van de motoren die tijdens het voormeld jaargedeelte of jaar werden gebruikt en wordt verbonden aan het jaar waarin de staking van de bedrijfsactiviteit plaats heeft.

Voor de bedrijven die worden aangeslagen op basis van het maximumkwartiervermogen wordt de eventueel bijkomende aanslag gevestigd op basis van het gemiddeld kwartiervermogen tijdens het jaargedeelte of jaar dat er nog bedrijfsactiviteiten waren. De aan te geven waarden zijn deze vermeld op de facturen voor levering van elektrische energie.

De belastingplichtigen die onder de toepassing van deze bepaling vallen, moeten uiterlijk acht dagen na de staking van de bedrijfsactiviteiten, hiervan bij het gemeentebestuur aangifte doen.

Art. 10.-

§1.   Elke belastingplichtige moet jaarlijks ten laatste op 30 juni van het aanslagjaar een aangifte indienen bij het gemeentebestuur Rijkevorsel – financiële dienst – Molenstraat 5, 2310 Rijkevorsel, op een door het gemeentebestuur voorgeschreven aangifteformulier.

§2.     Een belastingplichtige die niet spontaan een aangifteformulier gekregen heeft, kan dit op eenvoudig verzoek bekomen bij het gemeentebestuur of downloaden van de gemeentelijke website. Het niet spontaan verkrijgen van een aangifteformulier ontslaat de belastingplichtige niet van de belasting.

§3.      Als aangiftedatum geldt de postdatum of (bij afgifte) de datum vermeld op het ontvangstbewijs. Valt de uiterste indieningsdatum op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.

§4.      De aangifte kan via elektronische weg worden ingediend, meer bepaald per e-mail naar  financien@rijkevorsel.be.  In dat geval geldt de datum van de elektronische verzending als datum van indiening van de aangifte.

Art. 11.- Het gemeentebestuur controleert de oprechtheid van de aangiften. De belastingplichtigen zijn verplicht deze controle te vergemakkelijken. De gemeente mag de waarachtigheid van de onderschreven aangiften nagaan met al de middelen waarover zij beschikt. Daartoe aangestelde personeelsleden zijn bevoegd om elke inbreuk op dit reglement vast te stellen en moeten daarvoor toegang krijgen tot alle plaatsen waar de belastbare feiten plaats hebben.

Art. 12.- Het gemeentebestuur is te allen tijde gerechtigd waar ook op het gemeentelijk grondgebied controle uit te oefenen met het oog op de correcte toepassing van deze reglementering.

Een administratieve geldboete van € 500 wordt opgelegd in geval van:

  • De weigering mee te werken aan een fiscale controle;
  • De weigering om boeken of bescheiden voor te leggen.

Het bedrag van de administratieve geldboete wordt gelijktijdig en samen met de belasting ingekohierd en ingevorderd.

De administratieve geldboete moet worden betaald binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.

Art. 13.- Als er geen, geen juiste of geen volledige aangifte is gedaan voor de aangiftedatum, vermeld in artikel 10, kan de belastingplichtige ambtshalve worden belast conform de procedure voorzien in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en haar latere wijzigingen. In geval van een ambtshalve aanslag wordt de belasting gevestigd op grond van de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt.

 De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met:

  • 10 % van het bedrag van de verschuldigde belasting bij een eerste overtreding;
  • 25 % van het bedrag van de verschuldigde belasting bij een tweede overtreding;
  • 50 % van het bedrag van de verschuldigde belasting bij een derde overtreding;
  • 100 % van het bedrag van de verschuldigde belasting bij een vierde overtreding;
  • 200 % van het bedrag van de verschuldigde belasting bij een vijfde en volgende overtreding, met dien verstande dat een correcte en tijdige aangifte gedurende twee opeenvolgende jaren de goede trouw in hoofde van de belastingplichtige volledig herstelt, waardoor de aanslag bij de eerstvolgende overtreding met slechts 10 % wordt verhoogd.

De belastingverhoging bedraagt minimum € 25.

De belastingverhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.

Art. 14.- De belasting wordt ingevorderd bij wijze van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.

Art. 15.- De belasting moet betaald worden binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.

Art. 16.- De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen zijn aanslag, een belastingverhoging of een administratieve geldboete (in voorkomend geval), een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.

Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen 3 maanden te rekenen vanaf de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet heeft ontvangen of vanaf de kennisgeving van de aanslag.

Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet verzonden werd via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van zijn verzending. Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om berichten elektronisch uit te wisselen, wordt het aanslagbiljet geacht ontvangen te zijn op het tijdstip waarop het aanslagbiljet toegankelijk wordt voor de belastingplichtige.

Bezwaarschriften kunnen per post (Molenstraat 5, 2310 Rijkevorsel) of via elektronische weg per e-mail (financien@rijkevorsel.be) worden ingediend binnen de termijn en onder de voorwaarden zoals hierboven vermeld.

De indiening van het bezwaarschrift via elektronische weg geldt als uitdrukkelijke instemming van de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger om berichten binnen de bezwaarprocedure via die elektronische weg uit te wisselen. Als het bezwaarschrift verzonden wordt via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van indiening van het bezwaar.

Het college van burgemeester en schepenen of het personeelslid dat zij speciaal daarvoor aanwijst, bericht schriftelijk ontvangst binnen vijftien dagen na de indiening van het bezwaarschrift.

Indien de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger dat in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger uitgenodigd worden op een hoorzitting.

Art. 17.- Dit besluit zal worden bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen 286, 287 en 288 Decreet Lokaal Bestuur.

De toezichthoudende overheid zal op de hoogte gebracht worden van de bekendmaking van het reglement overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.

Dit besluit vervangt het besluit van de gemeenteraad van 25 november 2019 houdende de belasting op drijfkracht voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 en treedt in werking op 1 januari 2026.