Gelet op de Grondwet, meer bepaald artikelen 41, 162 en 170, § 4;
Gelet op het Wetboek van de inkomstenbelastingen van 10 april 1992 en het Invorderingswetboek van 13 april 2019;
Gelet op de Wet van 4 februari 2020 houdende boek 3 “Goederen” van het Burgerlijk Wetboek, artikelen 3.58 en 3.59 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek;
Gelet op de Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren;
Gelet op het Decreet van 30 mei 2008 over de vestiging, de invordering en de geschillen van provincie- en gemeentebelastingen;
Gelet op het Decreet over het Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikelen 2, 40 § 3, 41,14°, 56, § 3, 7°, 252, 285 t.e.m. 288 en 326 t.e.m. 335;
Gelet op het Bestuursdecreet van 7 december 2018;
Gelet op het Algemeen Verkeersreglement (KB van 1 december 1975), artikel 4.4;
Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register en betreffende de raadpleegbaarheid van de besluiten van de politiezones en hulpverleningszones;
Gelet op de Omzendbrief BB 2008/07 van 18 juli 2008 aangaande het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;
Gelet op de Omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019;
Gelet op het Gemeenteraadsbesluit van 27 novemnber 2023 betreffende de belasting op het ophalen en bewaren van goederen;
Gezien de ontvangsten zijn ingeschreven in het meerjarenplan 2026-2031 en dus noodzakelijk zijn voor het behoud van een gezonde financiële toestand van de gemeente.
Overwegende dat de gemeente de kosten die zij gemaakt heeft voor het weghalen en bewaren van de gevonden of op de openbare weg geplaatste goederen, mag aanrekenen aan de eigenaar of zijn rechtverkrijgenden; dat de gemeente de teruggave van de goederen, met uitzondering van die waarvan sprake is in artikel 1408, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, of de teruggave van de opbrengst van de verkoop daarvan, afhankelijk kan stellen van de voorafgaande betaling van die kosten;
Overwegende dat voor het afhandelen van verloren en achtergelaten voorwerpen de gemeenten zich baseerden op wetten van 1975 en 1983; dat vanaf 1 september 2021 de regelgeving wijzigde; dat de wetgever hiervoor het Burgerlijk Wetboek aanpaste via de wet van 4 februari 2020; dat de bestaande tarieven niet wijzigen, maar de verwijzing naar de nieuwe wetgeving (Wet van 4 februari 2020) leidde tot de herziening van de procedure over verloren en gevonden voorwerpen; dat de nieuwe regeling het kader en de termijnen vastlegt;
dat de algemene gekende en toegepaste termijn van zes maanden waarna de gemeente in het bezit kwam van het voorwerp en kon overgaan tot verkoop ervan wordt minder evident en is aan voorwaarden gebonden waarbij de gemeente meer rekening moet houden met de rechten van de eigenaar;
Overwegende dat volgens de nieuwe wetgeving de rechten en plichten van de gemeente als volgt zijn:
Overwegende dat de gemeente wordt geconfronteerd met een toename aan chauffeurs die roekeloos rijgedrag stellen; dat de burgemeester de plicht heeft om alle maatregelen te nemen die de openbare orde vrijwaren en garanderen; dat bijgevolg het wenselijk is om een belasting op de door de politie in beslag genomen voertuigen te heffen;
Overwegende dat het wenselijk is de kosten voor de bewaring van loslopende huisdieren van de eigenaars van deze dieren terug te vorderen; dat artikel 9 § 2 van de Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren voorziet in de mogelijkheid van dergelijke terugvordering;
Overwegende dat de financiële toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden, de invoering van onderhavige belasting rechtvaardigen; dat de geldende tarieven ongewijzigd blijven;
Gelet op de bespreking;
Overwegende dat raadslid Jeroen Ooms namens de Gemeentebelangen+-fractie een amendement indient dat ertoe strekt om artikel 4.1° van het besluit te wijzigen als volgt: ‘voor het ophalen en bewaren van fietsen en bromfietsen die ontvreemd werden en waarvan de eigenaar van de fiets of bromfiets werd aangetroffen, deze zelf komt ophalen in de gemeentelijke opslagplaats en dit binnen een termijn vanaf inbewaringneming tot aan de eerstvolgende gemeentelijke openbare verkoop.’;
Gelet op de stemming over het amendement, hetwelk met 21 neen-stemmen en 2 ja-stemmen wordt verworpen (neen-stemmen: Jan Boeckx, Dorien Cuylaerts, Nathalie Cuylaerts, Peter Janssens, Bob Van den Eijnden, Lieven Van Nyen, Bert Vangenechten, Stefan Maes, Karl Geens, Luc Jansen, Liese Vermeiren, Wim De Visscher, Bart Van De Mierop, Danny Eelen, Johan Sysmans, Hans Van Loon, Leslie Haems, Chris Peeters, Eddy Stoffelen, Diede Van Dun, Rudi Vervoort; ja-stemmen: Jeroen Ooms, Eric Vermeiren);
Gelet op de stemming over de hoofdvraag, dewelke met eenparigheid van stemmen wordt aangenomen;
Art. 1.- Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt er een belasting gevestigd op het weghalen en bewaren door het gemeentebestuur van:
1° de goederen gevonden op de openbare weg en/of aan het bestuur afgegeven overeenkomstig de wet van 4 februari 2020 houdende boek 3 “Goederen” van het Burgerlijk Wetboek;
2° de goederen op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting.
3° de door de politie in beslag genomen voertuigen;
4° de gevonden huisdieren.
Art. 2.- De belasting voor het weghalen en bewaren van goederen, zoals bedoeld in artikel 1, 1°, 2° en 4°, is verschuldigd door de eigenaar van de opgehaalde goederen.
De belasting voor het weghalen en bewaren van de door de politie in beslag genomen voertuigen, zoals bedoeld in artikel 1, 3°, is verschuldigd door de bestuurder van het voertuig op het moment dat het voertuig door de politie in beslag wordt genomen. Indien de identiteit van de bestuurder niet gekend is wordt de belasting gevestigd ten laste van de houder van de nummerplaat van het voertuig.
De houder van de nummerplaat, de eigenaar en de bezitter van het voertuig zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting ten laste van de bestuurder.
Art. 3.- De belasting wordt vastgesteld als volgt:
A. Voor het weghalen en bewaren van goederen en voertuigen, zoals bedoeld in artikel 1, 1° t.e.m. 3°:
1° materieel:
2° personeel: 50 € per begonnen uur. Dit tarief wordt verdubbeld voor prestaties uitgevoerd tussen 22u en 6u of op een zondag of een wettelijke feestdag.
3° transportkosten: 3,70 € per kilometer
4° bewaring in de gemeentelijke opslagplaats:
B. Voor het in bewaring houden van gevonden huisdieren: 2 € per begonnen dag vanaf de 8ste dag na de aangifte of ontvangst van het bericht aan de eigenaars of rechtverkrijgenden dat hun eigendom kan worden afgehaald in de gemeentelijke opslagplaats;
C. Voor de administratiekosten: een forfaitair bedrag van 25 €;
D. Voor de prestaties door derden op vraag van de gemeente voor het ophalen en bewaren van goederen, voertuigen of huisdieren, zoals bedoeld in artikel 1, 1° t.e.m. 4°: de aan de gemeente aangerekende kosten.
De bedragen onder A, B, C en D van dit artikel worden gecumuleerd. De totale belasting bedraagt minimum 175 €. Het minimumbedrag is niet van toepassing op de bepalingen inzake de in bewaring gehouden, gevonden huisdieren.
Art. 4.- De belasting is niet verschuldigd:
1° voor het ophalen en bewaren van fietsen en bromfietsen die ontvreemd werden en waarvan de eigenaar binnen de zes maanden nadat de fiets of bromfiets werd aangetroffen, deze zelf komt ophalen in de gemeentelijke opslagplaats;
2° voor het ophalen en bewaren van goederen waarvan sprake is in artikel 1408, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 5.- De belasting moet door de eigenaar op het ogenblik van de afhaling van het goed, voertuig of huisdier zonder uitstel betaald worden tegen afgifte van een betalingsbewijs. Als de contantbelasting niet zonder uitstel kan worden geïnd, wordt ze ingekohierd en volgt ze de regels voor een kohierbelasting.
Art. 6.- De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen zijn aanslag een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen 3 maanden te rekenen vanaf de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet heeft ontvangen of vanaf de kennisgeving van de aanslag of de datum van de inning van de contantbelasting.
Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet verzonden werd via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van zijn verzending. Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om berichten elektronisch uit te wisselen, wordt het aanslagbiljet geacht ontvangen te zijn op het tijdstip waarop het aanslagbiljet toegankelijk wordt voor de belastingplichtige.
Bezwaarschriften kunnen per post (Molenstraat 5, 2310 Rijkevorsel) of via elektronische weg per e-mail (financien@rijkevorsel.be) worden ingediend binnen de termijn en onder de voorwaarden zoals hierboven vermeld.
De indiening van het bezwaarschrift via elektronische weg geldt als uitdrukkelijke instemming van de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger om berichten binnen de bezwaarprocedure via die elektronische weg uit te wisselen. Als het bezwaarschrift verzonden wordt via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van indiening van het bezwaar.
Het college van burgemeester en schepenen of het personeelslid dat zij speciaal daarvoor aanwijst, bericht schriftelijk ontvangst binnen vijftien dagen na de indiening van het bezwaarschrift.
Indien de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger dat in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger uitgenodigd worden op een hoorzitting.
Art. 7.- Dit besluit zal worden bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen 286, 287 en 288 Decreet Lokaal Bestuur.
De toezichthoudende overheid zal op de hoogte gebracht worden van de bekendmaking van het reglement overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit besluit vervangt het besluit van de gemeenteraad van 27 november 2023 betreffende de belasting op het ophalen en bewaren van goederen en treedt in werking op 1 januari 2026.